Minister Bruins liegt wederom over rol Zorginstituut Nederland

Reactie op Kamervragen (kenmerk 1638878-201016-GMT)

Op 17-1-2020 heeft dhr. van Gerven (SP) Kamervragen gesteld aan minister Bruins over de
(vermoedelijke) vooringenomenheid van het Zorginstituut Nederland (ZIN) en hun rol bij de
rechtszaak van de Vereniging Afbouwmedicatie tegen VGZ.
We kunnen helaas niets anders concluderen dan dat de minister wederom zelf liegt tegen de Kamer.

In een eerdere zaak kwam al aan het licht dat minister Bruins voorgelogen werd door Zilveren Kruis
en dat de minister de incorrecte informatie willens en wetens doorstuurde naar de Kamer. De
minister heeft dus ervaring met het verkeerd informeren van de Kamer. (zaaknummer 200.254.628
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden)

Helaas bleef het niet bij dit ‘incident’. Uit een ander WOB-onderzoek is naar voren gekomen dat het
ZIN actief betrokken is bij het niet vergoeden van de afbouwmedicatie.

Allereerst stelt de minister in zijn antwoord op vraag 2: “Zorgverzekeraars ondersteunen dit
document. Omdat partijen het eens zijn over de vergoeding van afbouwmedicatie, is er voor het
Zorginstituut geen reden om een standpunt in te nemen”.
De minister weet dat dit een pertinente leugen is anders zouden er geen rechtszaken, SKGZ-procedures, klachtentrajecten lopen tegen zorgverzekeraars. De zorgverzekeraars doen juist niet wat er in het Multidisciplinair Document staat. Het enige dat de minister probeert te doen is de boot afhouden en de kou uit de lucht te halen door te stellen ‘dat alles ok is’.

Het feit dat het ZIN geen standpunt zou hoeven innemen is dan ook strijdig met hetgeen ZIN zelf
verklaard heeft. ZIN heeft verklaard dat zij een standpunt in zullen nemen als blijkt dat er nog steeds
onduidelijkheid zou zijn na het Multidisciplinair Document. In de reactie van ZIN (kenmerk
2018041926) en (Position Paper aan de Vaste Commissie VWS 20-6-2019) is gesteld dat: “Het is primair aan de zorgverzekeraars om te bepalen of zorg aan de criteria voldoet en daarmee voor vergoeding uit het basispakket in aanmerking komt. Bij onduidelijkheid over de precieze inhoud van het basispakket kan het Zorginstituut een standpunt innemen over welke zorg tot het basispakket
behoort.”

Er staat inmiddels al ruim anderhalf jaar vast dat er onduidelijkheid is en dit betekent dat het ZIN een standpunt in zou moeten nemen. Dit weigert zij omdat dit tot volledige vergoeding zou leiden.
In tegenstelling tot hetgeen ZIN (en minister Bruins) zelf communiceert wordt er juist actief hulp
geboden aan zorgverzekeraars om de afbouwmedicatie niet te vergoeden. Advocaat van het ZIN
(Karin Siemeling) bespreekt zelf intern de hulp aan VGZ.

Waar het ZIN objectieve beoordelingen zou moeten uitvoeren schaart zij zich bij de zorgverzekeraars
en helpt zij hen om de afbouwmedicatie niet te vergoeden.


De minister stelt in antwoord op vraag drie “Van het Zorginstituut begrijp ik dat de advocaat van VGZ
in aanloop naar de rechtszaak contact heeft opgenomen met het Zorginstituut. Er heeft een
telefoongesprek plaatsgevonden tussen een medewerker van het Zorginstituut en de advocaat van
VGZ. Naar ik begreep is hierbij niet gesproken over betrokkenheid van het Zorginstituut bij de
procedure tussen VGZ en de Vereniging Afbouwmedicatie”.
Er staat vast dat dit onwaar is. Op 5-12-2018 vraagt Karin Siemeling ‘of ZIN contact moet zoeken met
VGZ’. Een dag later weet zij al te vertellen dat Melita van Mersch (advocaat VGZ) het ZIN
waarschijnlijk binnenkort zal benaderen. Er is dus contact geweest vanuit ZIN met VGZ om op die
manier te veinzen dat het initiatief vanuit VGZ gekomen zou zijn.

De verdere zinsnede “ zeker niet als we zelf betrokken zijn bij deze procedure. Dat zal misschien niet een naar buiten toe kenbare betrokkenheid zijn,  maar we hebben natuurlijk wel een belang bij een positieve uitkomst van het kort geding”  laat kraakhelder zien dat ZIN zelf betrokken is bij de
rechtszaak en dit achter de schermen (niet naar buiten toe kenbaar) wil houden.

In het vervolg van de antwoorden probeert de minister een situatie te schetsen waaruit zou blijken
dat de vergelijking met de kindertoeslagaffaire misplaatst is en dat beslissingen omtrent de
vergoeding kunnen worden aangevochten. Deze procedures zijn dusdanig ingericht dat de patiënt
hier nooit winnend uitkomt.
1. De zorgverzekeraar beslist of de medicatie vergoed wordt
 Er staat vast dat de zorgverzekeraars de medicatie niet willen vergoeden en dat zij voor
het afwijzen van vergoeding gesteund worden door ZIN.
2. Indien een zorgverzekeraar blijft volharden in niet vergoeden moet er wederom bij
dezelfde zorgverzekeraar een klacht ingediend worden.
 Wederom is het de zorgverzekeraar die beoordeelt of de medicatie vergoed wordt. Dit
leidt niet tot een andere beoordeling.
3. Indien de formele klacht ook niet tot vergoeding leidt kan men naar de Stichting Klachten
en Geschillen Zorgverzekeringen (SKGZ)
 De SKGZ is wettelijk verplicht om het ZIN om advies te vragen over de vergoeding. Dit is
dus dezelfde partij die bij stap 1 (en stap 2) ervoor heeft gezorgd dat de medicatie niet
vergoed wordt. Er is dus geen enkele mogelijkheid om een oordeel zonder ZIN te krijgen en
deze stap is in haar huidige vorm dus op voorhand al bepaald.
4. Indien een patiënt het niet eens is met een uitspraak van SKGZ dan kan de patiënt naar de
civiele rechter.
 Deze kosten zijn zeer hoog (duizenden euro’s) en wegen niet op tegen de vergoeding.
Immers, zodra de rechter besluit dat de medicatie vergoed moet worden dan kan de
zorgverzekeraar in hoger beroep . Zelfs als de zorgverzekeraar dit niet doet dan zijn de
gemaakte kosten (die patiënt nooit terugkrijgt) hoger dan de vergoeding die de
zorgverzekeraar zou moeten betalen. Deze stap leidt dus altijd tot verlies voor patiënt.

Er is zodoende een systeem ingericht waarbij de patiënt altijd veroordeeld is te verliezen. De minister
schermt zodoende met een irreële mogelijkheid om op die manier zijn straatje schoon te vegen.
Daar komt bij dat de tekst“Ik heb geen standpunt ingenomen over de vergoeding van
afbouwmedicatie en dat geldt ook voor het Zorginstituut” incorrect is. De minister heeft op basis van de informatie van Zilveren Kruis de Kamer geïnformeerd (en daarmee een standpunt
ingenomen) om de afbouwmedicatie niet te vergoeden.

Ook het feit dat het Zorginstituut geen standpunt heeft ingenomen is onjuist:
 Het ZIN heeft meegeholpen de afbouwmedicatie niet te vergoeden
 ZIN heeft zich in alle bindende adviezen aan SKGZ uitgesproken tegen vergoeding van
afbouwmedicatie. Een bindend advies is een standpunt.
 ZIN weigert zich formeel uit te spreken over de vergoeding uit het basispakket, terwijl ze wel
stelt dit te doen als er onduidelijkheid bestaat. Er is willens en wetens onthouding van
verantwoordelijkheid. Dit ingegeven door de collaboratie met de zorgverzekeraars.

NB. Zorgverzekeraars DSW en ENO behoren niet tot de genoemde zorgverzekeraars

Apeldoorn, 10 februari 2020

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *